GESCHIEDENIS BENNINGBROEK EN SIJBEKARSPELZo'n 2500 jaar voor Christus bestond West-Friesland grotendeels uit water met hier en daar drooggevallen stukken land. Op deze plekken werden tijdelijke nederzettingen ingericht, ondermeer aan de Vekenweg in Sijbekarspel. De vroegste bewoners van het dorp woonden in hutten afgedekt met riet en leefden van de jacht en visvangst. Het was niet vreemd dat hier beren, zwijnen en herten rondliepen.
Bij toeval werd op het land van de boerderij Zorg en Hoop (gebouwd in 1874) in 1989 een graf van zo'n vroege bewoonster gevonden. Het was het skelet van een ca. 50-jarige vrouw, later bekend als het 'woiffie van Soibekarspel'. Een gat in haar schedel deed vermoeden dat ze slachtoffer was geworden van een rituele moord.
Ook zijn scherven gevonden van kookpotten, drinknappen en voorraadpotten.
Voor de spectaculaire vondst van het 'woiffie' was in 1946 al een stenen strijdhamer gevonden op het erf van een boerderij aan de Westerstraat 102. De hamer komt uit de late bronstijd (periode ca. 800-500 voor Christus) en geeft aan dat Sijbekarspel toen ook tijdelijke bewoners heeft gekend.
Na de bronstijd werd West-Friesland eeuwenlang geteisterd door grote overstromingen. Maar ca. 1000 jaar na Christus werd het gebied weer bewoonbaar. Men vestigde zich op hoger gelegen kreekruggen en oeverwallen langs riviertjes. Zo ontstonden ook de dorpen Benningbroek en Sijbekarspel met de kenmerkende lintbebouwing. Friese kloosterlingen en andere Friese grondontginners maakten de grond geschikt voor het verbouwen van graan en houden van vee. Rond 1150 bouwden dezelfde kloosterlingen, naar wordt verondersteld, eerst houten kerkjes op de plekken waar de huidige kerkgebouwen nu nog staan. Benningbroek dankt zijn naam aan de Friese ontginner met de voornaam Benno en de afleiding van het woord 'broeck' betekent drassig land. Sijbekarspel kende de Fries Siebe, de naam van het dorp is verder afgeleid van het woord 'kerspel', dwz kerkdorp. In de 12e en 13e eeuw waren er in West-Friesland weer overstromingen en veepest. Dijken waren nodig om hier te kunnen blijven wonen. Toch vestigden zich steeds meer bewoners definitief in kleine buurschappen, later echte dorpen genoemd. Dat zag je ook gebeuren in Benningbroek en Sijbekarspel. Beide dorpen maakten deel uit van de kloostergoederen van de abdij van Hemelum in Friesland. De dorpen werden als grondgebied, een banne genoemd. Drie tot vijf bannen waren weer een Cogge en vier Coggen vormden een Ambacht. Zo waren Benningbroek en Sijbekarspel onderdeel van het 'Houtwouder Ambacht' in het jaar 1288. Eind 17e eeuw was uiteindelijk de Westfriese Omringdijk door een aaneenschakeling van dijkjes voltooid en was de strijd tegen het water voorlopig gestreden. In de 14e en 15e eeuw ontwikkelde de dorpen zich verder. In 1413 werden Benningbroek en Sijbekarspel tot 'stede' verheven, met vele voorrechten zoals marktrecht en het doen van rechtspraak. In 1462 werd het eerste 'stedehuys' gebouwd, daarna afgebroken en opnieuw gebouwd op de grens van beide dorpen in 1731. Een paar jaar daarvoor had Cornelis Pronk twee mooie dorpsgezichten van de dorpen gemaakt. Zijn reisgenoot en leerling Abraham de Haen maakte eveneens een dorpsgezicht van Sijbekarspel met op de achtergrond de kerk.
Cornelis Pronk tekende in 1729 het kerkje in Benningbroek Boeren konden steeds meer producten verbouwen, waaronder gerst en rogge voor de dagelijkse voeding. Kaas en boter maken deden de boeren eerst zelf, maar eind 19e eeuw had Sijbekarspel een eigen zuivelfabriekje en Benningbroek had er zelfs twee. Ze beleefden goede jaren en in de dorpen werden grote boerderijen gebouwd.
Melkfabriek Prins Hendrik in Sijbekarspel is gebouwd in 1907 en in 1939 definitief gesloten In 1890 was het spoorlijntje Hoorn-Medemblik gereed, in 1917 kregen de dorpen elektriciteit en in 1926 volgde de waterleiding. De notarisfamilie Rees hoefde geen boeken meer te lezen bij een olielamp. De karakteristieke notariswoning is helaas afgebroken in 1938, alleen het 'kantoor' daarachter is blijven staan en wordt nu bewoond door architect Gerrit Hartog. ![]() In 1910 vestigde notaris Rees zich in Benningbroek Het prachtige huis werd in de volksmond een 'kasteel' genoemd. Hij woonde er met zijn familie tot 1936. Klaas Leeuw kocht het huis en heeft het gesloopt. Zo zie je dat er voortdurend 'lijnen door de tijd' worden getrokken; van oud naar nieuw en blijven beide dorpen en de bewoners volop in beweging. |